Gerstenfeld reageert (op column van S. Bouman over het boek Judging the Netherlands, the Renewed Holocaust Restitution Process 1997-2000

In zijn column van 13 januari levert Salomon Bouman kritiek op mijn recente boek Judging the Netherlands, the Renewed Holocaust Restitution Process 1997-2000. Hij verzint daar dat de essentie van dit boek is dat Koningin Wilhelmina en de Nederlandse regering in ballingschap in Londen geen vinger hebben ‘uitgestoken voor de in levensgevaar verkerende landgenoten.’

 

Uit deze beschrijving is duidelijk dat Bouman mijn boek niet heeft gelezen.  Hoogstwaarschijnlijk heeft hij zelfs de kaft niet gezien. De ondertitel van Judging the Netherlands verheldert immers dat dit boek over het hernieuwde Holocaust restitutieproces gaat. Het wijdt aan de regering in Londen slechts een bladzij van de ongeveer 200. Koningin Wilhelmina wordt daar twee maal vermeld. Daarna wordt ze nog een keer in de appendix genoemd in een interview met de voormalige vice-premier Els Borst.

 

Er bestaan ethiek-regels waar professionele journalisten geacht worden zich aan te houden. Een belangrijke code is die van de Society of Professional Journalists.[1] Ze eist dat journalisten de juistheid van hun informatie uit alle bronnen verifieren en zorgvuldig zijn in hun werk om onopzettelijke vergissingen te voorkomen.

 

Bouman’s column is een grove inbreuk op de professionele ethiek. Hij geeft de NIW lezers valse informatie. Zelfs zonder het boek te zien had hij op het internet een interview kunnen vinden waarin ik zeg hoe bizar het is ‘dat het onderwerp van mogelijke verontschuldigingen van de Nederlandse regering, hetgeen marginaal is in mijn boek Judging the Netherlands zoveel interesse heeft opgeroepen. Het boek beschrijft en analyseert immers het Holocaust restitutie proces in de jaren 1997-2000.’

 

Behalve onethisch te handelen maakt Bouman zich ook belachelijk. Iedereen die naast zijn column het boek leest begrijpt dat zijn beschrijving uit de duim gezogen is. Daarop stapelt Bouman verdere onzin. Hij schrijft ‘Ik betreur het dat Gerstenfeld in de val van de populistische Wilders is gelopen.’ Deze nonsens suggereert dat ik in een val ben gelopen door een boek te schrijven over de hernieuwde restitutie die een bladzij over de regering in Londen bevat.

 

Er is nog een verontrustend aspect. Bouman was langdurig correspondent in Israel voor de NRC-Handelsblad. Zijn hiervoor beschreven gedrag roept de vraag op hoe hij jarenlang de lezers van dit dagblad heeft geinformeerd.

 

Wat de Nederlandse verontschuldigingen betreft. De vragen van Geert Wilders en Raymond de Roon aan premier Rutte hebben, meer dan 65 jaar na de oorlog, eindelijk verheldering over dit onderwerp afgedwongen. In mijn, ook in het Nederlands vertaalde boek Verwrongen beelden van de Holocaust wijd ik een hoofdstuk aan het belang van verontschuldigingen voor misdragingen van regeringen jegens Joodse gemeenschappen. Daarin beschrijf ik in detail de argumenten van voor- en tegenstanders. Ik citeer vele voorbeelden van Europese regeringen en anderen die verontschuldigingen aan de Joodse gemeenschap hebben aangeboden en/of het tekortschieten van hun voorgangers tijdens de oorlog in detail hebben beschreven.

 

Een voorbeeld: in juli 1995 sprak de Franse president Jacques Chirac – zonder excuses aan te bieden – over de Jodenvervolging en zei: ‘Frankrijk heeft het onherstelbare gedaan. Het heeft haar woord gebroken en daardoor diegenen die het beschermde aan hun beulen uitgeleverd. Wij hebben tegenover hen een onvergeeflijke schuld.’

 

Daarbij vergeleken is de tekst die koningin Beatrix in de Knesset een paar maanden daarvoor uitsprak vaag en algemeen. Ook premier Balkenendes woorden in Yad Vashem in 2005 over ‘het pikzwarte hoofdstuk in de geschiedenis van mijn land,’ verbleken bij Chiracs tekst tien jaar eerder. In 2005 — ook op Yad Vashem – bood de Belgische premier Guy Verhofstadt nogmaals excuses aan voor de collaboratie van de Belgen met de Duitse bezetters. Hij had dat al in 2002 gedaan.

 

Premier Rutte draait in zijn recente antwoord aan de PVV om alle wezenlijke vragen heen. Hij verwijst naar de excuses van zijn voorganger Kok in 2000. Die hadden echter uitsluitend betrekking op de naoorlogse houding jegens de Joden en niet op die van de regering in ballingschap. In deze verklaring werd bovendien het Nederlands verleden gedeeltelijk vervalst.

 

Rutte suggereert bovendien ten onrechte dat Joden eerst om excuses moeten vragen. Het is nu duidelijk geworden dat de Nederlandse regering, in tegenstelling tot vele collegas, de misdragingen van haar voorgangster in oorlogstijd niet officieel wil opbiechten, laat staan daarvoor excuses aan te bieden.

 

[1] http://www.spj.org/ethicscode.asp

3 februari 2012

Comments are closed.