Joris Luyendijk – net een journalist

De discussie over Joris Luijendijks bestseller Het zijn net mensen is vooral gericht op diens ontluistering van de journalistiek. De auteur legt uit hoe het nieuws uit het Midden-Oosten het resultaat is van manipulaties van regeringen, lokale bronnen, redacties van buitenlandse kranten en verslaggevers. Luyendijk, van 1998 tot 2003 Midden-Oostencorrespondent, vertelt ook hoe hij daaraan jarenlang heeft meegedaan.Gefocust op de onthullingen over de journalistiek hebben critici Luijendijks opmerkingen over het Palestijns-Israëlische conflict minder kritisch bekeken dan ze verdienen (Monique van Hoogstraten en Eva Jinek, Het maakbare nieuws, zie Cicero, 16 mei). Om zijn manipulaties daarover aan te tonen, is een blik op de voordien opgebiechte bedrieglijke methoden nodig. In het begin van het boek legt hij immers de kern van zijn correspondentschap uit. Zijn Nederlandse redacteuren sturen hem berichten van grote internationale agentschappen toe die onder zijn naam, herschreven, gepubliceerd worden.Deze ondergrond wordt aangevuld met eigen werk. Aan het begin van de tweede Irak-oorlog vraagt de studio hoe de Arabische bevolking op de Amerikaanse bombardementen zal reageren. Luyendijk antwoordt dat uit conversaties blijkt dat ze nóg woedender op Amerika zullen zijn. Zijn enige bron is een ober in het hotel in de Jordaanse hoofdstad Amman waar hij logeerde. Luyendijk onthult aan een vriend dat in zijn radio- en tv-interviews aan het begin van deze oorlog alle vragen en antwoorden waren afgesproken. Zijn vriend stuurt daarop een e-mail met verwensingen omdat hij naar een toneelstuk heeft geluisterd. Luyendijk onthult ook een gebrek aan zelfbeheersing: In Cairo slaat hij een klein jongetje tegen de grond die zijn vrouwelijke begeleider beledigd heeft. Zo creëert Luyendijk een schijn van hervonden eerlijkheid. De vraag of wie jarenlang nieuws gemanipuleerd heeft zich daarvan later los kan maken, is voer voor psychologen. Dat de auteur in zijn boek verder manipuleert, wordt duidelijk uit de tachtig bladzijden over het Palestijns-Israëlische conflict.Luyendijk doet daarin moeite om voor westerlingen onverteerbare Palestijnse posities acceptabeler te maken. Hij schoont op wat moeders van zelfmoordenaars beweegt om op tv trots te zijn dat hun zoon zichzelf en een aantal Israëlische burgers opgeblazen heeft. De in Nederland als deskundig geziene auteur blundert fors door te schrijven dat de aanhangers van Israëls grootste religieuze partij Shas de staat niet erkennen. Deze partij heeft ministers aan vele kabinetten geleverd, het huidige incluis. De grootste Luyendijkse manipulatie is het verdoezelen van een sleutelelement van het conflict: de moordzuchtige ‘cultuur’ waarvan de Palestijnse maatschappij doordrongen is. Dit staat bijvoorbeeld in het programma van de grootste Palestijnse partij Hamas: ‘De Islamitische Verzetsbeweging streeft ernaar de belofte van Allah te realiseren, ongeacht de tijd die dat zal kosten. De Profeet, moge Allah hem zegenen en hem vrede geven, zegt: “De tijd van het oordeel zal niet aanbreken totdat de moslims de Joden zullen bevechten en hen zullen doden; bijgevolg waarvan de Joden zich achter rotsen en bomen zullen verstoppen. En iedere boom en steen zal dan zeggen: O moslim, o slaaf van Allah, achter mij zit een Jood, kom hier en dood hem!’’’ Luyendijk vertelt Nederlandse lezers over vredesbewegingen en verhult dat veel Palestijnen hun toekomst als extreem gewelddadig zien.Academici en geestelijke leiders van zowel de ‘gematigde’ Fatah als Hamas gebruiken dergelijke religieuze en zelfgemaakte teksten geregeld om moord op Joden te preken. Ook Nederlanders waren herhaaldelijk slachtoffer van de aan dat zwaar criminele gedachtengoed ontsproten zelfmoordaanslagen. In 2001 kwamen vijftien Israëliërs om in de Sbarro Pizzeria in Jeruzalem, onder wie vijf leden van de familie Schijveschuurder. Deze moordenaars van burgers worden in Palestijnse media door politici, opvoeders en geestelijken verzetshelden genoemd. Straten, scholen, jeugdkampen en sporttoernooien worden naar hen vernoemd. Soms wordt ieder elftal met zo’n naam gesponsord door een topfiguur van de Fatah. Dat wordt pas nieuws in Nederland als ooit een voetbalclub naar Mohammed B. genoemd wordt. Palestijnse kinderen wordt geleerd dat de hemel wacht als je als martelaar sterft, wat in de praktijk betekent dat je Israëliërs in je dood meeneemt. Nieuws over de perverse Palestijnse cultuur komt slechts af en toe in de westerse pers. Zoals in februari, toen een tekenfilmkarakter, het konijn Assud, in een tv-programma voor 3-jarigen opriep tot het vermoorden van Denen. Als een doodenkele moslim zou zeggen dat een Nederlandse minister vermoord moet worden, wordt dat nieuws in Nederland. Het langdurige publiekelijk aanmoedigen van moord op Israëliërs en Joden als kenmerk van de Palestijnse maatschappij is niet vermeldenswaard voor Luyendijk. Hiermee vervalst Luyendijk het beeld van het conflict volkomen. Dat verzwijgen gaat ook in tegen alle regels van journalistieke ethiek. Kennis van deze moordverheerlijkingscultuur is voor Nederlandse lezers niet alleen vanwege de waarheid belangrijk. Een beduidende minderheid van de moslimgelovigen wil voor haar gewelddadige jihadideologie de wereld veroveren. Qua geweldverheerlijking geeft de Palestijnse maatschappij een voorbeeld van wat meer gematigde moslims en het Westen kunnen verwachten als die stroming sterker wordt. De uitgever vermeldt op de achterkaft de bekroning van het journalistieke werk van de auteur in 2002 met het gouden pennetje. Uit de jurytekst wordt de karikaturale zin vermeldt: ‘Joris Luyendijk denkt, zoekt en schrijft met de onbevangenheid van iemand die nog geen kant heeft gekozen in een uitzichtloos conflict.’ Het gouden pennetje is een prijs voor jong talent in de journalistiek. In 2002, toen hij volgens zijn boek nog volop aan het toneelspelen en manipuleren was, was Luyendijk voor de jury net een journalist.

5 juni 2008

Comments are closed.