Asscher knockout in tweede ronde tegen Wiesenthal Center

De Partij van de Arbeid is de vaandeldrager van het politieke anti-Israëlisme in Nederland.

De PvdA doet dat onder andere door de enorme problematiek in delen van de moslimwereld te minimiseren en tegelijkertijd het Palestijns-Israëlisch conflict uit te vergroten tot het belangrijkste conflict in het Midden-Oosten. Daarna schuift ze Israël zoveel mogelijk de schuld voor het ontbreken van vrede in de schoenen en sluit de ogen voor de genocidaire plannen van Hamas, de grootste Palestijnse partij. Daardoor steunt de PvdA indirect deze islamonazi’s (1).

Wie prominent is in de PvdA wordt vrijwel altijd op de een of andere manier met de structurele perversiteit van de partij jegens Israël besmet. Een voorbeeld daarvan was hoe vicepremier Lodewijk Asscher zijn contact met het Simon Wiesenthal Center verbrak. Dat deed hij waarschijnlijk omdat hij geen argumenten meer had om de Nederlandse realiteit te verklaren, zonder de PvdA te beschuldigen.

Het contact tussen Asscher en rabbijn Abraham Cooper, het plaatsvervangend hoofd van het Simon Wiesenthal Center in Los Angeles, begint in april 2013. Cooper, vergezeld door het voormalig Kamerlid Wim Kortenoeven, bezoekt Asscher op zijn Haagse ministerie en brengt enkele onderwerpen ter sprake. Een daarvan is het lot van Mehmet Sahin, de vrijwilliger die enkele jonge Turkse Holocaustontkenners en -promoters, op de tv aan de kaak had gesteld. Vanwege de daaropvolgende bedreigingen uit Turkse kringen moest Sahin onderduiken (2).

Cooper snijdt in die ontmoeting ook de resultaten van de studie van de Universiteit van Bielefeld uit 2011 aan. Daaruit blijkt dat meer dan 38% van de Nederlanders boven de 16 jaar het eens is met de complottheorie dat Israel een vernietigingsoorlog tegen de Palestijnen voert (3). Asscher zegt dat hij die studie niet kent. Hij vraagt aan de rabbijn om hem die toe te sturen. Asscher en Cooper gaan vervolgens samen op de foto (4). Korte tijd na de ontmoeting stuurt de rabbijn de Bielefeld-studie aan Asscher. Er komt geen reactie.

In januari 2014 vindt in de Tweede Kamer een debat plaats met als titel ‘Noodklok om Jodenhaat’. Daarin brengt Tweede Kamerlid Elbert Dijkgraaf (SGP) het antisemitisme en anti-Israëlisme ter sprake. Over het anti-Israëlisme vraagt hij Asscher: “Hoe reageert de minister op onderzoek van de Universiteit van Bielefeld waaruit blijkt dat bijna 40% van de Nederlanders van mening is dat Israël een uitroeiingsoorlog tegen de Palestijnen voert? Dat kan toch niet? Dan ligt er onderhuids echt een probleem.” Asscher antwoordt dat dit bijzonder zorgelijk is. En dat dat bovendien onacceptabel is als dat tot antisemitisme leidt. Daar blijft het bij. Hij stelt geen concrete stappen voor (5).

Hierover geïnformeerd stuurt rabbijn Cooper op 6 februari 2014 een brief aan Asscher. Hij citeert daarin Asschers woorden ‘bijzonder zorgelijk’ en ‘onacceptabel’. Hij stelt voor dat de Nederlandse regering aan een researchbureau de opdracht geeft om te onderzoeken hoe dit valse en verraderlijke beeld van Israël ontstaan is.

Cooper refereert in zijn brief aan de dertiger jaren en schrijft dat die in Duitsland aangetoond hadden wat gebeuren kan als de deligitimisatie en demonisatie van een volk niet tegengegaan wordt. Cooper brengt ook een tweede onderwerp ter sprake: het feit dat Nederland waarschijnlijk het enige land is dat door Duitsland bezet is geweest en nooit de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft toegegeven, laat staan excuses hiervoor heeft aangeboden. Cooper sluit ook een samenvatting van mijn boekDemonizing Israel and the Jews bij. Daarna stuurt hij Asscher het boek per post.

Asscher antwoordt op 19 februari op Coopers brief (6). Hij schrijft daarin dat iedereen in Nederland vrij is om te denken wat hij wil over Israël en het Midden-Oosten. Hij voegt eraan toe dat negatieve opinies over de buitenlandse politiek van Israel nooit een kweekgrond voor antisemitisme tegen de Joodse gemeenschap mogen zijn. Hij drukt nogmaals zijn bezorgheid uit, maar maakt ook duidelijk dat hij niets tegen het wijdverspreide anti-Israëlisme in Nederland wil doen.

Op Coopers opmerking dat Nederland nooit excuses heeft aangeboden of zelfs de waarheid over de Nederlandse collaboratie met de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft toegegeven, gaat Asscher niet in. Vervolgens kondigt hij allerlei plannen aan om het antisemitisme te bestrijden. Wat de reflectie van het anti-Israëlisme, dat hij niet wilde onderzoeken, betreft: in de afgelopen zomer kon men zien hoeveel daarvan tot ongekende haatuitingen tegen de Joodse gemeenschap leidde. Het Nederlandse antisemitisme bereikte zijn (voorlopige?) na-oorlogse hoogtepunt.

Asscher sluit dus de ogen voor wat Cooper schrijft. Als zoveel Nederlanders extreem valse criminele ideeën over anderen koesteren, dan hebben zij immers zelf een criminele mentaliteit. Ik heb hen daarom 5 miljoen Nederlandse neo-NSB’ers genoemd (7.) Dat zou Asscher niet koud moeten laten, want het is de realiteit in het land waar hij minister en vicepremier is.

Dijkgraaf stelt vervolgens op 11 maart 2014 schriftelijke vragen aan Asscher (8). Enkele daarvan gaan over de studie van de Universiteit van Bielefeld: Vraag 5: “Onderkent u dat een gedemoniseerd beeld van Israël een gevaarlijke voedingsbodem biedt voor antisemitische incidenten?” Vraag 6: “Welke consequenties verbindt u aan uw eigen kwalificaties dat het onderzoek van de Universiteit Bielefeld naar de beeldvorming onder Europeanen inzake Israël onacceptabel en bijzonder zorgwekkend is?” (9). Vraag 7: “Bent u voornemens om te laten onderzoeken welke oorzaken ten grondslag liggen aan de zorgwekkende beeldvorming inzake Israël in Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u voornemens om in samenwerking met het Simon Wiesenthal Center de parameters voor het onderzoek te formuleren, zoals rabbijn Abraham Cooper in zijn brief heeft aangeboden?” (10).

Aanvankelijk komt er geen antwoord op deze vragen. Ze worden daarna opnieuw ingediend op 25 juni 2014. Pas op 2 september 2014 worden ze beantwoord. De regering wil niets aan het anti-Israëlisme doen (11).

In zijn antwoord heeft Asscher rabbijn Cooper met een kluitje in het riet gestuurd. Cooper schrijft hem dan een tweede brief, op 13 maart 2014. Hij refereert daarin aan Asschers opmerking dat iedereen zijn eigen mening over Israël en het Midden-Oosten mag hebben. Hij zegt daarop dat ook in de donkere dagen van Europa van de dertiger jaren iedereen zijn eigen opinies over de Joden mocht hebben, hoe irrationeel en haatdragend die ook konden zijn. Hij voegt eraantoe dat in 2014 extremistische en kwaadaardige opinie’s over een “genocidaal en nazi-achtig” Israël wijdverspreid zijn in Europa, incluis Nederland. Hij zegt dat regeringen deze haat moeten bestrijden en vraagt om een nieuwe ontmoeting met de minister.

Er blijft nu radiostilte. In december 2014 had Cooper nog steeds geen antwoord van Asscher op zijn brief van 13 maart ontvangen (12). Waarom geeft Asscher geen antwoord? Is hij door de partijtop teruggefloten? Heeft Asscher zich bloot gegeven door het anti-Israëlisme bijzonder zorgelijk en onacceptabel te noemen en zou hij met de mond vol tanden staan als hij een nieuwe bespreking met Cooper zou hebben.

Het moet ons niet verbazen, Asschers partij en partijleider zijn immers prominente ophitsers tegen Israël. Iedere serieuze studie zou de PvdA aanwijzen als een van de schuldigen die ertoe bijgedragen hebben dat er in Nederland 5 miljoen neo-NSB’ers zijn die extreme complottheorieën over Israël koesteren. Het lijken plausibele verklaringen. Het zijn ook verdere indicaties van de perversiteit van zijn eigen partij alsmede van een land in verwording.

Op de Amsterdamse Kristallnachtherdenking in november 2014 in de Portugese Synagoge spreekt vicepremier Lodewijk Asscher. Hij zegt: “Ik wil niet leven in een land waar de Kristallnacht alleen met bewakers voor de deur herdacht kan worden.” (13). Als Asscher dat meent, kan hij beter beginnen te onderzoeken naar welk land hij emigreren wil.

1. Manfred Gerstenfeld, “De PvdA: Nederlands grootste wegkijkerspartij van genocideplannen”, Dagelijkse Standaard ,19 november 2014.
2. “Rabbi Cooper confers with Dutch Deputy Prime Minister Lodewijk Asscher in The Hague about Anti-Semitism among Dutch Muslim Students and Internet Hate”, Simon Wiesenthal Center website, 16 april 2013.
3. Andreas Zick, Beate Küpper, en Andreas Hövermann, Intolerance, Prejudice and Discrimination: A European Report (Berlin: Friedrich Ebert Stiftung Forum Berlin, 2011).
4. Rabbi Cooper confers with Dutch Deputy Prime Minister Lodewijk Asscher in The Hague about Anti-Semitism among Dutch Muslim Students and Internet Hate, Simon Wiesenthal Center, 16 april 2013.
5. Plenaire verslagen Tweede Kamer, “Noodklok om Jodenhaat,” 16 januari 2014.
6. “Dutch Deputy PM Asscher still hasn’t responded to SWCs rabbi Cooper’s 13th of March correspondence concerning anti-Semitism in the Netherlands…”, Tundra Tabloids, 29 juli 2014.
7. Manfred Gerstenfeld, ‘Nederlands Duivelse Visie,op Israel’, Dagelijkse Standaard, 6 maart 2013.
8. Kamervragen van het Tweede Kamer lid Dijkgraaf (SGP) aan de Ministers van Sociale zaken en Werkgelegenheid en Veiligheid en Justititie over antisemitische incidenten in Nederland, 11 maart 2014. Voor de tweede keer ingediend op 25 juni 2014.
9. Handelingen 2013-2014, TK 42-14-14.
10. Brief aan minister Asscher, 6 februari 2014.
11. Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden, 2873, Tweede Kamer der Staten Generaal, vergaderjaar 2013-2014, Aanhangsel van de Handelingen.
12. KGS, “Dutch Deputy Pm Asscher Still Hasn’t Responded To Swc’s Rabbi Cooper’s 13th Of March Correspondence Concerning Anti-Semitism In The Netherlands…,” Tundra Tabloids, 29 juli 2014.
13. Lodewijk Asscher: ‘Er wás en er ís antisemitisme in ons land’, Het Parool, 9 november 2014.

9 januari 2015

Comments are closed.