
1978: Het jaar dat de wereld de Holocaust ontdekte. In april 1978 werd in de Verenigde Staten de Amerikaanse 4-delige miniserie “Holocaust” uitgezonden, met o.a. Meryl Streep en James Woods in de hoofdrollen. Vooral Michael Moriarty, in de rol van de SS-Sturmbannführer (majoor) Erik Dorf als symbool van het Kwade, liet een diepe indruk na. De reeks werd door ca. 120 miljoen Amerikanen bekeken.
Eind 1978 werd de reeks wereldwijd uitgezonden – en dus ook in België en Nederland. Naar schatting zowat een half miljard (!) mensen volgden wekelijks het drama van de Joodse familie Weiss op het kleine TV-scherm. De serie bracht iedereen onmiddellijk in de ban van de Holocaust en had een enorm impact op de publieke opinie en bewustzijnsvorming.
Tot dan was er maar weinig belangstelling geweest voor de Holocaust. De mensen hadden tot dan wel eens vaag gehoord van de concentratiekampen Bergen-Belsen en Buchenwald maar daar bleef het dan ook bij. De verschrikkingen in KZ Auschwitz waren tot dan nog relatief weinig gekend bij het grote publiek. Tot eind jaren zeventig van de vorige eeuw was de Holocaust eerder discussiestof voor historici en… negationisten (=feiten ontkenners) [bron]
Laatst bijgewerkt: donderdag, 6 februari 2014 om 15u57'
Manfred Gerstenfeld interviewt Johannes Houwink ten Cate
“Het duurde een lange tijd vooraleer het bewustzijn omtrent de Holocaust zich ontwikkelde in West-Europa. Academici die dit onderwerp bestudeerden, constateerden dat veel vreselijk mis is gelopen in deze samenlevingen tijdens de eerste naoorlogse decennia.
“Dit manifesteerde zich op verschillende manieren. Een daarvan was dat vooraanstaande Europese politici het zelfbeeld promootten van heldhaftig verzet tegen de nazi’s. Een andere was dat deze politici niet bereid waren om de Joodse overlevenden financieel te helpen.
“Zij schoven de verantwoordelijkheid voor de vervolging en uitroeiing van de Joden zo veel mogelijk op de Duitsers. Dit betekende het negeren van de enorme hulp die de Duitsers ontvangen hadden van vele leden van de bezette landen in hun onteigeningen en deportaties van de Joden.”
Johannes Houwink ten Cate (plaatje rechts) is professor in Holocaust- en Genocidestudies aan de Universiteit van Amsterdam. Hij specialiseert zich in de geschiedenis van het anti-Joodse beleid van nazi-Duitsland in de bezette Nederlandse gebieden.
“De enige vergelijkende studie van hoe elites in West-Europa zijn omgegaan met de herinnering aan de nazi-bezetting, met inbegripp van de Holocaust, werd geschreven door vooraanstaande Belgische historicus Pieter Lagrou. In zijn boek The Legacy of Nazi Occupation: Patriotic Memory and National Recovery in Western Europe, 1945-1965 (1999), merkte Lagrou op dat er een duidelijk verschil bestond tussen Nederland enerzijds en België en Frankrijk anderzijds.
“In het Nederlandse geval, werd de bezetting ‘ervaren als een collectieve ellende voor de hele samenleving, een externe agressie en een morele verontwaardiging naar een land dat zichzelf zag als een model leerling in de school van de naties.’”[1]
Houwink ten Cate voegt eraan toe: “Deze laatste visie is niet veranderd. De Nederlanders beschouwen zichzelf nog steeds als ‘model leerling in de school der naties,’ zelfs als de rest van de wereld het daar niet mee eens is.
“Lagrou schreef verder: ‘In de sobere reconstructie ethiek die de Nederlandse samenleving domineerde in de eerste twee naoorlogse decennia, werd de oorlog gepresenteerd als een beproeving die de sociale cohesie en de nationale identiteit had versterkt.’ [2] Deze nationale herinnering was – om Lagrou weer te citeren – ‘hardvochtig’ tegenover degenen die meer dan de anderen hadden geleden.
“‘De Joodse overlevenden van de genocide hadden in het bijzonder te lijden onder een gebrek aan erkenning (…), van een gebrek aan steun,’ zowel in materieel opzicht als in termen van ‘hun behoefte aan integratie.’ [3] Aldus werden aan de weinige Joodse overlevenden – 75% van de Nederlandse Joden werd gedeporteerd naar Oost-Europa om er te worden vermoord – ‘een slecht akkoord’ gegeven, aldus de onpartijdige Lagrou: ‘voor hen geen solidariteit en geen troost.’”[4]
“Lagrou contrasteerde de Nederlandse perceptie van de nazi-bezetting met zijn Belgische en Franse collega’s. In deze staten, plaatste ‘de kakofonie’ van herdenkingsverhalen verschillende slachtoffergroepen ‘in een macabere rivaliteit en oppositie.’ Toch bood dit de Joodse slachtoffers meer erkenning en meer troost dan de ‘sobere consensus’ in Nederland. [5]
“In de jaren 1950, portretteerden de Nederlanders zichzelf als een natie die zichzelf had verenigd in verzet tegen de nazi’s, een standpunt dat actief werd ondersteund door het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (toen nog RIOD, tegenwoordig NIOD), dat zich in zijn onderzoek richtte op de drie stakingen tijdens oorlogstijd (plaatje rechts: de Februaristaking van 25.02.1941.)
“In Frankrijk in 1987, bedacht de eminente historicus Henry Rousso het neologisme ‘Résistancialisme’ om de gaullistische inspanning om het samenklonteren van Resistance, natie en staat te beschrijven [6], maar deze inspanning was niet zo dominant als zijn Nederlandse tegenhanger. Niettemin negeerde de Franse historici gedurende 35 jaren de medeverantwoordelijkheid van de Vichy-regering voor de vervolging van de Joden. Het was pas in 1981 dat de Amerikaanse historicus Robert O. Paxton en zijn Canadese collega Michael R. Marrus, deze medeverantwoordelijkheid volledig beschreven. [7]
“De situatie was niet fundamenteel anders dan in West-Duitsland. Het werd voor het eerst een gewoonte van de autoriteiten om in de verschillende staten van het Sovjetblok en later aan de Duitse linkerzijde te kunnen verkondigen dat het aantal gevallen van het brengen van Holocaust daders voor de rechter in de Duitse Bondsrepubliek ronduit armzalig was. [8] Het was zo armzalig als de werkelijke prestaties van de Franse, Belgische en Nederlandse staten in het brengen voor de rechter van hun bureaucraten die de Duitsers hadden geholpen. Deze ambtenaren bleven als groep ongestraft.
“Tegenwoordig zijn de ironische beschrijvingen van staten die zichzelf portretteren als ‘naties van helden,’ of het nu de Nederlanders betreft, de Fransen of de Duitsers betreft, een soort genre geworden. Maar Rousso’s boek markeerde de geboorte van Post-Holocaust studies als een academische terrein op zichzelf.
“Post-Holocaust Studies is een terrein dat zich langzaam verbreed en meer academisch wordt. Meer recente publicaties – zoals het boek van Lagrou – zijn vaak gebaseerd op vele jaren van onderzoek in de archieven van staten en maatschappelijke organisaties.”
Houwink ten Cate concludeert: “Deze studies omtrent het nationaal zelfbeeld maken deel uit van de ontwikkeling van de discipline van de Post-Holocaust Studies. Het wordt sterk verrijkt door de inbreng van wetenschappers die ofwel juristen zijn of een duidelijke gevoeligheid aan de dag leggen en inzicht in juridische kwesties. Deze tak van het leren omvat vele andere gebieden, zoals onderwijs, psychologie, hedendaagse geschiedenis, enz. Er zijn vele verschillende publicaties op het gebied van van Post Holocaust Studies. Het is echter niet wetenschappelijk gestructueerd, zo bijvoorbeeld bestaan er geen leerstoelen voor studies.
“Maar als zij waren gevestigd, zouden deze de belangrijke discipline die steun geven die het nodig heeft.”
Interview door Dr. Manfred Gerstenfeld
Dr. Manfred Gerstenfeld is lid van de Raad van Bestuur van het Jerusalem Centrum voor Publieke Aangelegenheden (JCPA), die hij 12 jaar heeft voorgezeten. Hij heeft meer dan 20 boeken gepubliceerd. Een aantal behandelt het anti-Israëlisme en het antisemitisme.
VOETNOTEN:
- Pieter Lagrou, The Legacy of Nazi Occupation: Patriotic Memory and National Recovery in Western Europe, 1945-1965, (Cambridge: Cambridge University Press, 2000), 293.
- Ibid.
- Lagrou, 293, 295.
- Lagrou. 303.
- Lagrou, 303-304.
- Henry Rousso, Le Syndrome de Vichy: (1944-198..) (Paris: Seuil, 1987).
- Michael R. Marrus, Robert O. Paxton, Vichy France and the Jews (New York: Basic Books, 1981).
- Dick de Mildt, In the Name of the People: Perpetrators of Genocide in the Reflection of their Post-War Prosecution in West Germany. The ‘Euthanasia’ and ‘Aktion Reinhard’ Trial Cases(The Hague/London/Boston: Martinus Nijhoff Publishers, 1996), 18-40.
Bronnen:
- Arutz Sheva:
♦ Holocaust Awareness Arrived Late in Western Europe – Manfred Gerstenfeld speaks to Prof. of Holocaust and Genocide Studies at Amsterdam University, Johannes Houwink ten Cate. For International Holocaust Remembrance Day [lezen] - De Standaard:
♦ Pieter Lagrou over de herdenking van WOII – De Belgische historicus Pieter Lagrou onderzoekt in ‘The Legacy of Nazi Occupation’ hoe het Belgische, Nederlandse en Franse volk zich de Tweede Wereldoorlog herinneren en hoe dat beeld in de loop van de decennia verandert. Hij concentreerde zich op verenigingen van de betrokkenen en schreef een verhelderend werk over de werking van het collectieve geheugen. ; door Sophie de Schaepdrijver [lezen]
Gerelateerd op Brabosh.com:
- Naoorlogse discriminatie in Nederland van overlevende Joden; door Dr. Manfred Gerstenfeld [lezen]
- Naoorlogs Jodendom in Nederland opnieuw onder druk en lessen voor Europa; door Dr. Manfred Gerstenfeld [lezen]
- Boek Dr. Manfred Gerstenfeld zorgt in Nederland voor opschudding mbt deportatie Nederlandse Joden in WOII [lezen]
- Nooit vergeten – nooit vergeven: Bericht betreffende de deportatie van de Nederlandse Joden [lezen]
- Eichmann was zeer tevreden over samenwerking met Nederland en de Jodentransporten [lezen]
- Jodenvervolging in Nederland tijdens WOII: Eis om excuses voor wegkijken [lezen]
- De film en het boek van Gerald Green die de Holocaust op de kaart zetten [lezen]
- Bevrijding van Bergen Belsen in april 1945 & De wereld ‘ontdekt’ in april 1978 de Holocaust [lezen]
6 februari 2014