Waar blijven de officiële excuses?

Regeringen of parlementen van België, Denemarken, Finland en Noorwegen en een aantal andere Europese landen gaven de afgelopen tien jaar het falen van hun voorgangers tijdens de Tweede Wereldoorlog jegens de vervolgde Joden toe. Zij boden hun verontschuldigingen aan. Maar het standpunt van recente Nederlandse regeringen over de houding van hun voorgangers tijdens de oorlog bestaat slechts uit enkele onvolledige verklaringen. Ze geven een vertekend beeld van het gedrag van de regering in Londen en het ambtenarenapparaat in bezet Nederland jegens de Joden. Enkele voorbeelden. Terwijl in Nederland massaal onschuldige Joodse burgers werden gearresteerd door Nederlandse politieambtenaren en werden opgesloten in kampen, was dit geen enkele keer een agendapunt van de ministerraad in Londen. Loe de Jong schrijft dat de regering pas anderhalf jaar nadat in juli 1942 de deportaties van de Nederlandse Joden waren begonnen bij de Poolse regering in ballingschap informeerde wat er met hen gebeurde. En dat terwijl beide regeringen zetelden in hetzelfde gebouw, Stratton House. Koningin Wilhelmina, die voor radio Oranje sprak, wijdde in al haar toespraken slechts vijf zinnen aan het lot van de Joden. Henri Dentz, een Nederlandse ambtenaar in Londen, maakte in 1943 een rapport over de moord op de Nederlandse Joden. Hij schatte dat er al honderdduizend waren vermoord. Dentz stuurde zijn rapport eind 1943 naar alle Nederlandse ministeries en ook naar andere instellingen, zoals het Rode Kruis. Niemand toonde interesse. Deze mentaliteit veranderde langzaam na de oorlog. J. Michman, de laatste overlevende van het toenmalige bestuur van de Nederlandse Zionistenbond, zegt dat toen een Joodse delegatie de eerste naoorlogse premier Willem Schermerhorn ontmoette, deze het niet zijn taak achtte dat Joodse kapitalisten hun bezit terugkregen. Minister Th. van Schaik van Verkeer en Energie in dat kabinet sprak op 17 september 1945 het spoorwegpersoneel toe in de Haagse Houtrusthallen en zei: ‘Met uw treinen werden de ongelukkige slachtoffers naar de concentratiekampen gebracht. In uw harten was opstand. Toch hebt ge het gedaan, dat strekt u tot eer, het was de plicht die de Nederlandse regering van u eiste, omdat het spoorbedrijf ook een der pijlers is waarop het economische leven van het Nederlandse volk steunt en dat niet voortijdig in de waagschaal mocht worden gesteld.’Behalve beledigend waren Van Schaiks woorden ook onjuist. Uit de film Goodbye Holland van Willy Lindwer blijkt dat de machinisten van de treinen die Joden naar Westerbork en vandaar over het Nederlandse deel van het traject naar de vernietigingskampen vervoerden, zelden interesse hadden voor het lot van deze passagiers. De weinige officiële verklaringen over de Nederlandse houding tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn halfslachtig. Vijftig jaar na de oorlog droeg koningin Beatrix een eerste kruimel aan tijdens haar bezoek aan Israël in 1995. In het Israëlische parlement zei ze dat veel Nederlanders zich tegen de Duitsers hebben verzet. Ze voegde eraan toe dat zij uitzonderingen waren, dat ‘het Nederlandse volk de ondergang van zijn Joodse medeburgers niet heeft kunnen verhinderen’.Deze rede stelt niet de vraag of het Nederlandse volk en de regering hebben gedaan wat ze konden voor de Joden. Ze zwijgt over de rol van de regering in Londen, van het Nederlandse ambtenarenapparaat en van de velen die geholpen hebben met het ophalen, vervoeren en bewaken van de Joden. Evenmin was er vermelding van de Nederlanders die Joden hebben verraden of bestolen. Het eenzijdig spreken over de verzetstrijders, van wie de meesten niets voor de vervolgde Joden hebben gedaan, vertekende het beeld verder. Niet gerept werd over anderen die hadden gezwegen, zoals de leden van de Hoge Raad toen Joodse ambtenaren ontslagen werden op racistische gronden. De hernieuwde discussie eind jaren negentig over de problemen rond de naoorlogse restitutie leverde, naast belangstelling voor het gedrag van de naoorlogse Nederlandse regering, ook een hernieuwde interesse op voor de gebeurtenissen tijdens de oorlog. In januari 2000 was in Stockholm een conferentie over Holocaust-educatie. Premier Wim Kok zei daar dat het restitutieproces in het naoorlogse verarmde Nederland correct is verlopen. Hij voegde eraan toe dat recente studies ook tekortkomingen vonden die overigens niet uniek waren voor Nederland. Hij betreurde dat dit gebeurd was.Er kwam kritiek op Kok omdat hij niet bereid was excuses aan te bieden voor die tekortkomingen, die bovendien groter waren dan hij had gesuggereerd. Vicepremier Gerrit Zalm was wel een voorstander van excuses. De gepensioneerde Groningse hoogleraar Isaac Lipschits, die in De kleine Sjoa over de ervaringen van de Joden in naoorlogs Nederland publiceerde, vertelt hoe in het parlementsgebouw Zalm op hem toeliep en zei zich persoonlijk te willen excuseren voor het gedrag van zijn voorgangers na de Tweede Wereldoorlog. Waarop Lipschits opmerkte: ‘Maar minister, toen liep u nog in een korte broek.’ Zalm antwoordde dat de fouten begaan waren door het ministerie waarvoor hij nu verantwoordelijk was.Onder druk van Zalm en andere ministers bood Kok alsnog excuses aan. Deze werden ook vastgelegd in een brief van de ministerraad aan de Kamer enkele maanden later. Het kabinet sprak daar zijn spijt uit en bood verontschuldigingen aan, aan diegenen die na de oorlog geleden hadden onder de kille uitvoering van de restitutiewetten. Er werd aan toegevoegd dat het kabinet niet veronderstelde dat diegenen die hiervoor verantwoordelijk waren verkeerde bedoelingen hadden.Deze excuses bevatten een nieuwe onwaarheid. In de naoorlogse tijd hadden velen ‘verkeerde bedoelingen’. Het duidelijkste voorbeeld hiervan was de toenmalige minister van Financiën, Piet Lieftinck. Hij stelde de belangen van de effectenbeurs, die tijdens de oorlog zwaar had gecollaboreerd, hoger dan die van Joden die hun effectenbezit op Duits bevel hadden ingeleverd tijdens de oorlog. Toen Kok in april 2000 Israël bezocht, werd hij voor de Israëlische radio gevraagd naar de Nederlandse rol in de oorlog. Hij zei: ‘Nederland is nooit verantwoordelijk geweest voor het wangedrag van de Duitsers in Nederland tijdens de oorlog.’ Hiermee ontkende hij een niet-bestaande beschuldiging. Het ging immers om de verantwoordelijkheid voor het wangedrag van de regering in ballingschap en de autoriteiten in Nederland.Het bleef enkele jaren stil over dit onderwerp. In maart 2005 bezocht premier Balkenende Israël ter gelegenheid van de opening van het nieuwe museum van het Holocaust-herdenkingsinstituut Yad Vashem. Hij noemde daar de Jodenvervolging een ‘inktzwart hoofdstuk’ in de Nederlandse geschiedenis. Balkenende vermeldde ook de kilheid jegens de Joden van veel Nederlanders in de oorlog. Hij sprak over diegenen die moed hadden betoond én over de verraders. Hiermee ging hij verder dan zijn voorgangers. Toch stak zijn tekst negatief af bij de woorden van de Belgische premier Guy Verhofstadt. Die herhaalde daar zijn al twee jaar eerder uitgesproken excuses met betrekking tot de verantwoordelijkheid van de Belgische regering voor de rol van sommige ambtenaren en autoriteiten in de oorlog. Verschillende Nederlandse media vonden dat ook Balkenende zijn excuses had moeten aanbieden. Enkele weken later sprak Balkenende ter gelegenheid van het dertigjarig bestaan van het CIDI. Hij was nog iets duidelijker, opnieuw zonder excuses aan te bieden: ‘Er waren Nederlandse gezagsdragers die meewerkten met de bezetters. Zij droegen bij aan een gruwelijk proces waarin Joodse Nederlanders hun rechten werden ontnomen en waarin de menselijke waardigheid van Joodse landgenoten werd geschonden.’ Een nieuw perspectief op het uitblijven van officiële excuses kwam uit heel andere hoek. Op 29 september 2005 bood Aad Veenman, president van de NS, volkomen onverwacht verontschuldigingen aan voor de rol van de Spoorwegen tijdens de oorlog (zie ook de posters hiernaast). Hij zei: ‘Door onze rol van toen te benoemen, kunnen wij ook een pijnlijk hoofdstuk uit ons verleden afsluiten. Duidelijkheid en transparantie bieden houvast en evenwicht.’ Veenman voegde eraan toe dat hij nu samen met de Nederlandse Joodse gemeenschap de focus kon richten op de toekomst van de maatschappij. Hij merkte daarna op dat verontschuldigingen konden overkomen ‘als een zoveelste bijdrage aan de sorrycultuur’. Veenman zei dat hij slechts uitlatingen kon doen die in de huidige context passen. Hij besloot: ‘Daarom bied ik nu toch uit de grond van mijn hart en in alle bescheidenheid namens de Nederlandse Spoorwegen mijn oprechte verontschuldigen aan aan de Joodse gemeenschap en de andere betrokken groepen.’ Voordien leek het of slechts druk op de Nederlandse regering, desnoods tot honderd jaar na de oorlog, tot excuses zou kunnen leiden. Het precedent van Veenman bewijst dat er een andere mogelijkheid is, en wel dat iemand zich moreel geroepen voelt zijn verantwoordelijkheid te aanvaarden. Misschien zal daarom de huidige of een toekomstige Nederlandse premier alsnog het grote falen van de Londense regering toegeven en daarvoor excuses aanbieden.

4 mei 2007

Comments are closed.