De rechtszaak tegen Ariel Sharon in België: Een analyse van de zaak

Brussel, 26 juni 2002. De Palestijnse Souad Srour El Meri (r), vertegenwoordigster van een groep Palestijnen die de Israëlische premier Ariel Sharon voor de rechtbank daagde voor zijn vermeende rol in de massacre in het vluchtelingenkamp Sabra & Shatila, Libanon in 1982, betoogt hier naast een bord ‘Sharon Moordenaar’ aan het Paleis van Justitie te Brussel. De rechtbank verwierp de rechtszaak omdat deze geen enkele band vormde met België. [foto: Reuters/Francois Lenoir]

Manfred Gerstenfeld interviewt Irit Kohn

“In 1982 tijdens de Libanon Oorlog, hebben Libanese christelijke milities honderden Palestijnen vermoord in de vluchtelingenkampen van Sabra en Shatila. In juni 2001, dienden een aantal overlevenden en familieleden van de slachtoffers een klacht in bij een Belgische rechtbank die niet gericht was tegen de moordenaars, van wie nochtans velen bekend waren. In plaats daarvan werden de volgenden voor de rechter gedaagd: de Israëlische premier Ariel Sharon, de Israëlische Stafchef in 1982 Rafael Eitan, alsmede de toenmalige bevelhebber van het Noord-District generaal Amos Yaron.”

Irit Kohn (plaatje rechts) was op dat ogenblik hoofd van de internationale afdeling van het Israëlische ministerie van Justitie. Ze leidde de Israëlische verdediging in deze zaak. In 2011 werd ze verkozen tot voorzitter van de Internationale Vereniging van Joodse Advocaten en Juristen.

Ze zegt: “Op het moment van de indiening, had de Belgische wet universele jurisdictie betreffende misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en genocide. Dit had  geen band met het betrokken land nodig. Elke burger in België of elders in de wereld, kon een klacht tegen iemand kunnen indienen bij het Belgische rechtssysteem ter vordering tot strafrechtelijke vervolging.

“Negentien jaar waren verstreken sinds de massamoorden door de Libanese christelijke milities. Deze klacht leek een politiek gemotiveerde daad. De aanklagers wachtten tot Sharon minister-president van Israël werd. Ze wilden hem laten vervolgen wegens vermeende oorlogsmisdaden. Zij beweerden dat toen Sharon de Israëlische minister van Defensie was in 1982 en samenwerkte met de christelijke milities, hij had moeten weten dat wanneer deze de Palestijnse vluchtelingenkampen zouden binnengaan, er een bloedbad zou volgen.

“Ik verdedigde voluit het standpunt dat we onze premier moesten verdedigen. De uitleveringswetten in Europa betekenden dat indien Sharon naar een Europees land wilde reizen, België een arrestatiebevel tegen hem zou kunnen kunnen uitvaardigen. Aangezien andere Europese landen uitleveringsverdragen hebben met België, zou dit in de praktijk betekenen dat Sharon Europa niet kon bezoeken. Indien de zaak in België voor de rechtbank zijn gekomen en we dit niet hadden aangevochten, had de rechter kunnen besluiten om zich te baseren op de feiten zoals die gepresenteerd werden door de tegenpartij.

“We gingen er oorspronkelijk vanuit dat, zoals in de meeste democratische staten, de Belgische openbare aanklager de discretionaire bevoegdheid heeft om al dan niet te vervolgen in strafzaken. Zoals de zaak zich ontwikkelde, werd duidelijk dat in dit geval dit principe van de Belgische wetgeving niet werd toegepast.

“Ons standpunt was dat de klacht politiek gemotiveerd was. De Sabra & Shatila slachtpartijen waren onderzocht door een commissie onder leiding van de voorzitter van het Israëlische Hooggerechtshof, rechter Yitzhak Kahan. We weten thans dat er geen enkele Israëlische soldaat in Sabra of Shatilah aanwezig was tijdens de moorden.

“De Belgische onderzoeksrechter aanvaardde op dat ogenblik ons standpunt en besloot dat er geen reden was om te vervolgen. Hij concludeerde dat de moordenaars de christelijke Libanese milities waren die niet voor de rechter waren gedaagd.

“De aanklagers wendde zich vervolgens tot het Belgische Hof van Beroep. De Belgische procureur-generaal, die voor het Hof van Beroep verschijnt, sprak in ons voordeels. In 99 procent van de gevallen wordt het oordeel van de procureur-generaal aangenomen door het Belgische Hof van Beroep. Echter, op 12 februari 2003 sprak het Hof zich tegen ons uit. Dit leek een politiek gemotiveerde beslissing zowel voor ons en onze advocaat.

“Bij de voorbereiding van deze rechtszaak, had ik de universele jurisdictiewetten in vele landen onderzocht met inbegrip van de Europese. Alle – behalve België – vereisten dat een zaak zoals deze eerst beoordeeld zou worden in het land vooraleer het onderzoek werd aangevat.

“Uiteindelijk kon de vervolging van Sharon niet doorgegaan vanwege een ontwikkeling die niets met hem of Israël te maken had. Onder de universele wet werd in 2003 eveneens een klacht ingediend tegen de Amerikaanse president George Bush Sr., tegen minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell en oud-generaal Norman Schwarzkopf met betrekking tot de eerste Golfoorlog in Irak. De Verenigde Staten hadden veel meer macht dan Israël. Ze vertelden de Belgische regering dat indien hun juridische autoriteiten van plan waren om verder te gaan met het proces, het hoofdkwartier van de NAVO uit Brussel zou worden verplaatst.

“Dit bracht de Belgen van hun stuk. Ze begonnen nu eindelijk te beseffen dat ze problemen voor zichzelf hadden gecreëerd. Het parlement haastte zich om de wet te veranderen. Daarin werden toen wijzigingen aangenomen die obstakels creëerden voor toekomstige aanklagers. Deze omvatten bepalingen dat een aanklager of slachtoffer gedurende drie jaar in België zou hebben gewoond. Er zou ook een echte koppeling moeten zijn tussen de vermeende misdaad, de Belgische belangen alsmede diverse andere dergelijke clausules.

“In eerste instantie was er een grote parlementaire inspanning, om de drie Israëliërs niet te ontslaan van de universele wet, maar uitsluitend de Amerikanen. Dat zou echter het bewijs hebben geleverd dat het proces tegen Sharon politiek gemotiveerd was. Uiteindelijk begrepen de Belgische beleidsmakers ook dat een dergelijke stap juridisch niet houdbaar was.”

Interview door Dr. Manfred Gerstenfeld

Dr. Manfred Gerstenfeld is lid van de Raad van Bestuur van het Jerusalem Centrum voor Publieke Aangelegenheden (JCPA), die hij 12 jaar heeft voorgezeten. Hij heeft meer dan 20 boeken gepubliceerd. Een aantal behandelt het anti-Israëlisme en het antisemitisme.


Bronnen:

  1. The Lawsuit against Ariel Sharon in Belgium: A Case Analysis (Manfred Gerstenfeld interviews Irit Kohn) [lezen]:
    ♦ This is an abbreviated version of the interview originally published in Manfred Gerstenfeld’s book European-Israeli relations: Between Confusion and Change
    Jerusalem: Jerusalem Center for Public Affairs (JCPA):
    ♦ Konrad Adenauer-Stiftung, 2006 Click here to download a PDF version of the book of Manfred Gerstenfeld
  2. Jewish Telegraph Agency (JTA):
    ♦ Around the Jewish World with Belgian Case Against Sharon Dropped, Belgian Jews Are Relieved – Belgian Jews are breathing a sigh of relief after the country revised a controversial law that allowed Belgian courts to try foreigners for alleged crimes against humanity. [lezen]
  3. Anti Defamation Ligue (ADL):
    ♦ ADL Welcomes Dismissal of “Preposterous” Lawsuit Against Israeli Prime Minister – New York, N.Y., June 26, 2002 … The Anti-Defamation League (ADL) today welcomed a ruling by a Belgian appeals court dismissing a lawsuit against Israeli Prime Minister Ariel Sharon for “war crimes.” The suit had been filed by a group of Palestinians for alleged activities during the Lebanon War [lezen]

14 januari 2014

Comments are closed.